Vitaliteitsweek: Eigen-Wijsheid
02-12-2016
Breek je vrij!
18-06-2016
Opa
16-02-2016
Lynn in Zuid-Amerika
14-01-2016
De beste wensen
31-12-2015
In gesprek met vriendinnen
09-11-2015
Een willekeurige overnachting in Duitsland.
10-08-2015
Hectiek
10-06-2015
Dualiteit
08-06-2015
Fiene
20-04-2015
Het voordeel van de noodrem
29-03-2015
In gedachten..
26-02-2015
Winter
30-01-2015
Voorlichting die de oncoloog zijn patient zou moeten geven..
16-12-2014
Dubbel Geluk
27-11-2014
Alle columns

Thriller zonder naam

Datum: 08-11-2012

Deel 1 van een fictieve korte thriller, geschreven door Manon.  

Ze lag er prachtig bij. Met haar gezicht licht opgemaakt, en het grijze haar keurig opgestoken. Ik had genoeg doden afgelegd om te weten hoe je kon stuntelen met dat soort dingen. Haar gevouwen handen lagen in een bedrieglijk serene rust. De diamanten ring schitterde aan haar smalle vinger. Ze zou tevreden zijn met het resultaat.
Ik keek omhoog. Zou haar geest ergens boven haar lichaam zweven en me kunnen zien? Sommigen geloofden sterk dat dit zou kunnen. Ik wist het niet. Was het willen geloven niet sterker dan de gedachte dat we stopten bij de dood? Ik zag alleen maar dikke houten balken tot in de nok. Geen geest, geen spinnenrag of wolkje stof ontsierde de kamer. Het dienstmeisje had haar best gedaan.
Ik wist hoe het morgen zou gaan. Hoe het hele dorp uit zou lopen om deze dode vrouw te begeleiden naar haar laatste rustplaats. Vrienden, kennissen, mensen uit het verenigingsleven. Iedereen zou haar komen eren, geliefd als ze was. Haar kinderen en kleinkinderen zouden zich snikkend aan elkaar vastklampen, om haar huilen in herinnering. Mooie fijne lieve herinneringen. Zíj wel.. Hoe slecht kenden ze haar.... Ik lachte schamper. Natuurlijk zou ook haar man er zijn. Haar man... Ik boog me voorover en raakte haar voorhoofd aan met mijn lippen. IJskoud voelde haar huid. Ik keek naar haar gezicht en probeerde iets af te lezen aan haar gesloten ogen, haar rimpelloze mond. Gek, dat een dode zijn rimpels verliest. Ik rilde. Het was niet eerlijk. Hier stond ik. Als enige getuige. Zij en ik. Waarom had ik haar in vredesnaam in mijn leven toegelaten?

Twintig jaar geleden kwam ik haar tegen in het Vondelpark. Zij was veertig, ik nét twintig.
Ik werkte hard aan mijn scriptie en het was benauwd geweest op mijn zolderkamertje. Ik kieperde mijn boeken in mijn tas, sjouwde mijn fiets vier trappen naar beneden en fietste naar het park. Liggend op mijn rug keek ik door een lichtgroen bladerdak naar de knalblauwe lucht en fantaseerde over mijn toekomst. Journaliste wilde ik worden en reizen maken naar het buitenland. Ik wilde mensen ontmoeten, me in hun levens verdiepen en erover schrijven. Ik wilde vrij zijn! Met een zucht zette ik mezelf in beweging. Als ik journaliste wilde worden moest ik toch écht aan mijn scriptie beginnen.
En toen zag ik haar. Ze liep recht op me af. Over het fietspad, langs de bomen, over het gras. Ze was lang en slank en droeg haar donkere haar opgestoken. Haar gezicht was van een Koninklijke schoonheid en haar uitstraling was er een van klasse. Ze droeg een goed gesneden colbert en een vlotte spijkerbroek. Toen ze dichterbij kwam zag ik iets vreemds aan haar houding; ze leek in trance te zijn. Op het moment dat ze bijna over me struikelde sprong ik op. "Hé kijk uit!" riep ik geschrokken.

Wordt vervolgd... 

 

 

 




- Reageer op deze column